|
groep 1
Twee armen en twee benen
Twee armen en twee benen, tien
vingers en tien tenen.
Een hoofd, een hals, een buik, een neus waarmee ik ruik.
Een twee drie vier vijf, dit zit aan mijn lijf
rikketikketik, dit ben ik!
Hier loop ik langs de straat
Hier loop ik langs de straat en ik
voel me alle dagen
zo vrolijk en zo blij en daarom kom ik vragen
of jij, of jij, eens dansen wil met mij.
Van joepie joepie tralala, van joepie joepie tralala,
of jij, of jij, eens dansen wil met mij.
Krokodilletje
Op een heel klein bruggetje,
liep een krokodilletje.
Iedereen die langs kwam, beet hij in zijn billetje.
Stoute stoute krokodil, bij jij zomaar in mijn bil.
Moet ik de politie halen, dan moet jij mijn bil betalen.
Mijn knuf is weg (mjd
les1) cd101
Mijn knuffetje is weggelopen, hij is
zachtjes weggegaan.
Is hij uit het huis geslopen, is hij met de bus gegaan?
Dag mevrouw, hebt u misschien mijn knuffel ook zien lopen?
Dag meneer, hebt u misschien mijn knuffel ook gezien?
Mijn knuffetje is weggelopen, heel
hard is hij weggegaan.
Is hij in een hoek gekropen, is hij naar Parijs gegaan?
Dag mevrouw, hebt u misschien mijn knuffel ook zien lopen?
Dag meneer, hebt u misschien mijn knuffel ook gezien?
Wat ligt daar voor een ding? (mjd
les2) cd102
Wat ligt daar voor een ding? "Een
bezem,* een bezem".
Wat ligt daar voor een ding? Daar midden in de kring.
Tik er tegenaan, ga er dan op staan,
leg het op de grond en loop de kring weer rond.
* kind kiest uit,
zingt samen met de juf:
een bakje, een blokje, een doosje, een prullenbak,
(enz, dus alles wat in de kring gelegd is).
Tam tam (mjd
les3) cd104
Tam tam tam tam, daar komen
muzikanten aan;
ze lopen keurig in de maat bij ons door de straat.
Rom bom rom bom, daar komen alle
trommels aan;
ze lopen keurig in de maat bij ons door de straat.
Tèèt tèèt tèèt tèèt, daar komen de
trompetten aan;
ze lopen keurig in de maat bij ons door de straat.
Door de regen (mjd
les 4) cd107
Rikketikketik, rikketikketik, door de
regen daar loop ik.
Stampen in een diepe plas.
Druppels op mijn regenjas.
Rikketikketik, rikketikketik, door de regen jij en ik.
Herfst, herfst, herfst is weer
gekomen
Herfst, herfst, herfst is weer
gekomen
daar komt de wind, hij schudt aan alle bomen.
Alle blaadjes vallen, de takken worden kaal,
we trekken onze jassen aan, allemaal.
Zie je de kastanjes?
Zie je de kastanjes aan de bomen?
Zie je alle eikels op het mos?
Nu is het herfst de blaadjes vallen,
nu is het herfst in ieder bos.
De eekhoorn
Eekhoorn, eekhoorn, met je lange
staartje
eekhoorn, eekhoorn, spring maar met een vaartje,
tikketakke tomen, roetsj in de bomen.
Acht kleine vogeltjes
Acht Kleine vogeltjes die zaten op
een tak.
Turelureluut, de tak begon te wiegen.
O, als die tak, als die tak eens brak.
't Hindert niet, de vogels kunnen vliegen,
't hindert niet, ze vliegen met gemak.
Woutertje (mjd les 6)
cd114
Woutertje, Woutertje, wiebel wiebel
wiebel woep,
piepklein kaboutertje, komt als ik roep.
Woutertje, Woutertje, piepklein kaboutertje,
wiebel wiebel wiebel woe-oep! komt als ik roep.
Ik heb hem al jaren en nooit geeft ie
last.
Hij woont in een trommeltje onder de kast.
En 's morgens om zeven uur hoor je geluid,
dan roept ie om eten, dan wil ie er uit. O, die
Woutertje, Woutertje, wiebel ...
Ik zag hem voor 't eerst op de mat in
de gang.
Ik zei: "Goeiemorgen, ben jij hier al lang?"
Hij zei: "Nou ik denk een minuutje of vijf,
maar ik vind je wel aardig, ik denk dat ik blijf." O, die
Woutertje, Woutertje, wiebel ...
Hij is reuze aardig, we hebben veel
pret.
Maar 's avonds om zeven uur moet ie naar bed.
Hij trekt een pyamaatje aan van katoen,
dan bindt ie z'n baard op en krijgt nog een zoen. O, die
Woutertje, Woutertje, wiebel ..
Ik loop mijn eigen weggetje
(mjd les 7) cd119 en 120
Ik loop mijn eigen weggetje en zoek
een zak vol pitten.
Als ik er één gevonden heb dan ga ik er op zitten.
Wie niet lopen wil (mjd
les 8) cd122
Wie niet lopen wil, wie niet lopen
wil,
wie niet lopen wil, sta stil.
Wie niet lopen wil, wie niet lopen wil,
wie niet lopen wil, sta stil.
Wie niet dansen wil, ...
Wie niet springen wil, ...
Wie niet stampen wil, ...
Pannenkoeken bakken
Pannenkoeken bakken, pannenkoeken
bakken.
Olie in de pan, olie in de pan,
voordat ik bakken kan.
Olie in de pan, olie in de pan,
voordat ik kan bakken.
als vervolg kan i.p.v. "olie"
gekozen worden: deeg, kersen, spek, enz.
Dag dokter
Dag dokter, dag dokter, ik ben een
beetje naar.
Ik heb het warm, ik heb het koud en ook mijn buik doet raar.
Kijk eens in mijn oren, kijk eens in mijn mond.
Geef een drankje of een pil, dan ben ik weer gezond.
Koetjes in 't stalletje
(mjd les 10) cd130
Koetjes in 't stalletje, wees toch
wat stil,
hier is een klein kindje, dat slapen wil.
Boe! zeggen de koeien, dan zullen we niet meer loeien!
Schaapjes in 't stalletje, wees toch
wat stil,
hier is een klein kindje, dat slapen wil.
Bè! zeggen de schapen, dan zullen we ook gaan slapen!
Hondjes in 't stalletje, wees toch
wat stil,
hier is een klein kindje, dat slapen wil.
Woef! zeggen de hondjes, houdt jullie dan ook je mondjes!
Overal sneeuw (mjd les
12) cd133
Overal sneeuw in de lucht, overal
sneeuw op de grond,
op m'n jas en op m'n haar en op al die mensen daar.
Overal sneeuw in de lucht, overal sneeuw op de grond.
Reusje (mjd les 13)
cd137
Er was er eens een reusje, dat reusje
was te klein.
Hij was niet zo reusachtig, als and're reuzen zijn.
Hij had een heel klein neusje, een kleine grote teen;
als and're reuzen speelden zat reusje heel alleen:
dus danste hij de reuzendans al stampend in het gras,
dat dansje had hij zelf bedacht en weet je hoe het was?
Het was van hop in het rond en stamp op de grond
en was ik maar zo groot als een berg
hop in het rond en stamp op de grond want klein zijn is zo erg.
Toen ging dat kleine reusje eens
wand'len in het woud.
Hij kwam een heksje tegen, dat was reusachtig oud.
Ze zei: "Dag treurig reusje, waarom kijk jij niet blij?
Heb jij soms reuzenzorgen, vertel ze dan aan mij;"
dus danste hij de reuzendans al stampend in het gras,
dat dansje had hij zelf bedacht en weet je hoe het was?
Het was van hop in het rond en stamp op de grond
en was ik maar zo groot als een berg
hop in het rond en stamp op de grond want klein zijn is zo erg.
Toen nam dat oude heksje een
toverstaf van goud
en ze begon te tov'ren daar midden in het woud.
Ze zong een toverliedje, ze kneep hem in de neus.
Het reusje ging toen groeien; hij werd zowaar een reus!
dus danste hij de reuzendans al stampend in het gras,
dat dansje had hij zelf bedacht en weet je hoe het was?
Het was van hop in het rond en stamp op de grond,
hoera ik ben zo groot als een berg
hop in het rond en stamp op de grond en o, wat ben ik blij!
Krokusbolletjes
(mjd les 14) cd139
Krokusbolletje, kom eens uit je
holletje.
Met je bloempjes paars en geel,
op een dunne steel.
Krokusbolletje, kom eens uit je
holletje.
Met je bloempjes wit en blauw,
bloem ik hou van jou.
Wakker worden! (mjd
les 15) cd144
Wakker worden, goeie morgen allemaal.
Rek je uit en train je weer fit.
Wakker worden, goeie morgen allemaal.
Niemand die nog op z'n luie billen zit.
De bromvlieg
Vlieg op dikke vlieg, dikke
bromvlieg.
Je plaagt me en je kriebelt zo;
ik wil je niet je wriemelt zo.
Ga weg jij van mijn neus, dikke deus,
ga weg jij van mijn neus.
Vlieg op dikke vlieg, dikke
bromvlieg.
Je plaagt me en je kriebelt zo;
ik wil je niet je wriemelt zo.
Ga weg jij van mijn kin, dikke din,
ga weg jij van mijn kin.
Vlieg op dikke vlieg, dikke
bromvlieg.
Je plaagt me en je kriebelt zo;
ik wil je niet je wriemelt zo.
Ga weg jij van mijn oor, dikke door,
ga weg jij van mijn oor.
Appellied
Één twee drie vier, appels mmm,
appels mmm.
Één twee drie vier, appels appels lust ik graag.
In de boom en op de grond, zie ik appels dik en rond.
Één twee drie vier, appels in mijn mond.
Clowntje (mjd
les16) cd147
Clowntje heeft een rooie neus, rooie
neus, rooie neus,
clowntje heeft een rooie neus, ha ha ha ha ha!
En als hij dan gaat dansen, hopsa faldera,
dan doen we 't allemaal na, ja ja, dan doen we 't allemaal na!
De verschikkelijke vlieg (mjd
les 17) cd152
Ik lig lekker warm met mijn beer in
mijn arm,
maar ik kan nog lang niet slapen.
Want elleke keer vliegt een vlieg heen en weer
en die zit me verschrikkelijk te plagen.
Hij zit op m'n hoofd, m'n buik, m'n bil, m'n been,
m'n voet, m'n schouder, m'n rug, m'n teen.
Hij vliegt en hij vliegt in het rond.
Strakjes vliegt hij in mijn mond!
Bzz bzz bzz bzz bzz bzz bzz
(klap!)
Bloemen wiegen (mjd
les 18) cd154
Bloemen wiegen heen en weer,
twee vlindertjes komen telkens weer,
ze vliegen hoog, ze vliegen laag
en stellen iedere bloem een vraag.
Visje, visje in de zee
(mjd les 20) cd160
Visje visje in de zee, langzaam zwem
je naar benee.
Als je daar eens zachtjes zucht, dan zie je kleine belletjes lucht.
Met de vinnen op je rug, zwem je langzaam weer terug. |